Vervoeging van agiteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik agiteer
    • jij agiteert
    • hij/zij/het agiteert
    • wij agiteren
    • jullie agiteren
    • zij agiteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik agiteerde
    • jij agiteerde
    • hij/zij/het agiteerde
    • wij agiteerden
    • jullie agiteerden
    • zij agiteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geagiteerd
    • jij hebt geagiteerd
    • hij/zij/het heeft geagiteerd
    • wij hebben geagiteerd
    • jullie hebben geagiteerd
    • zij hebben geagiteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geagiteerd
    • jij had geagiteerd
    • hij/zij/het had geagiteerd
    • wij hadden geagiteerd
    • jullie hadden geagiteerd
    • zij hadden geagiteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal agiteren
    • jij zult agiteren
    • hij/zij/het zal agiteren
    • wij zullen agiteren
    • jullie zullen agiteren
    • zij zullen agiteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geagiteerd hebben
    • jij zult geagiteerd hebben
    • hij/zij/het zal geagiteerd hebben
    • wij zullen geagiteerd hebben
    • jullie zullen geagiteerd hebben
    • zij zullen geagiteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou agiteren
    • jij zou agiteren
    • hij/zij/het zou agiteren
    • wij zouden agiteren
    • jullie zouden agiteren
    • zij zouden agiteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geagiteerd
    • jij zou hebben geagiteerd
    • hij/zij/het zou hebben geagiteerd
    • wij zouden hebben geagiteerd
    • jullie zouden hebben geagiteerd
    • zij zouden hebben geagiteerd
  • Imperatief

    • jij agiteer
    • jullie agiteert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van agiteren