Vervoeging van animeren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik animeer
    • jij animeert
    • hij/zij/het animeert
    • wij animeren
    • jullie animeren
    • zij animeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik animeerde
    • jij animeerde
    • hij/zij/het animeerde
    • wij animeerden
    • jullie animeerden
    • zij animeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geanimeerd
    • jij hebt geanimeerd
    • hij/zij/het heeft geanimeerd
    • wij hebben geanimeerd
    • jullie hebben geanimeerd
    • zij hebben geanimeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geanimeerd
    • jij had geanimeerd
    • hij/zij/het had geanimeerd
    • wij hadden geanimeerd
    • jullie hadden geanimeerd
    • zij hadden geanimeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal animeren
    • jij zult animeren
    • hij/zij/het zal animeren
    • wij zullen animeren
    • jullie zullen animeren
    • zij zullen animeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geanimeerd hebben
    • jij zult geanimeerd hebben
    • hij/zij/het zal geanimeerd hebben
    • wij zullen geanimeerd hebben
    • jullie zullen geanimeerd hebben
    • zij zullen geanimeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou animeren
    • jij zou animeren
    • hij/zij/het zou animeren
    • wij zouden animeren
    • jullie zouden animeren
    • zij zouden animeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geanimeerd
    • jij zou hebben geanimeerd
    • hij/zij/het zou hebben geanimeerd
    • wij zouden hebben geanimeerd
    • jullie zouden hebben geanimeerd
    • zij zouden hebben geanimeerd
  • Imperatief

    • jij animeer
    • jullie animeert