Vervoeging van aprillen

Er is helaas geen Spaanse vertaling gevonden.

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik april
    • jij aprilt
    • hij/zij/het aprilt
    • wij aprillen
    • jullie aprillen
    • zij aprillen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik aprilde
    • jij aprilde
    • hij/zij/het aprilde
    • wij aprilden
    • jullie aprilden
    • zij aprilden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geaprild
    • jij hebt geaprild
    • hij/zij/het heeft geaprild
    • wij hebben geaprild
    • jullie hebben geaprild
    • zij hebben geaprild
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geaprild
    • jij had geaprild
    • hij/zij/het had geaprild
    • wij hadden geaprild
    • jullie hadden geaprild
    • zij hadden geaprild
  • Toekomende tijd I

    • ik zal aprillen
    • jij zult aprillen
    • hij/zij/het zal aprillen
    • wij zullen aprillen
    • jullie zullen aprillen
    • zij zullen aprillen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geaprild hebben
    • jij zult geaprild hebben
    • hij/zij/het zal geaprild hebben
    • wij zullen geaprild hebben
    • jullie zullen geaprild hebben
    • zij zullen geaprild hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou aprillen
    • jij zou aprillen
    • hij/zij/het zou aprillen
    • wij zouden aprillen
    • jullie zouden aprillen
    • zij zouden aprillen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geaprild
    • jij zou hebben geaprild
    • hij/zij/het zou hebben geaprild
    • wij zouden hebben geaprild
    • jullie zouden hebben geaprild
    • zij zouden hebben geaprild
  • Imperatief

    • jij april
    • jullie aprilt