Vervoeging van associëren

Onbepaalde wijs (infinitief): associëren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik associeer
    • jij associeert
    • hij/zij/het associeert
    • wij associëren
    • jullie associëren
    • zij associëren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik associeerde
    • jij associeerde
    • hij/zij/het associeerde
    • wij associeerden
    • jullie associeerden
    • zij associeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geassocieerd
    • jij hebt geassocieerd
    • hij/zij/het heeft geassocieerd
    • wij hebben geassocieerd
    • jullie hebben geassocieerd
    • zij hebben geassocieerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geassocieerd
    • jij had geassocieerd
    • hij/zij/het had geassocieerd
    • wij hadden geassocieerd
    • jullie hadden geassocieerd
    • zij hadden geassocieerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal associëren
    • jij zult associëren
    • hij/zij/het zal associëren
    • wij zullen associëren
    • jullie zullen associëren
    • zij zullen associëren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geassocieerd hebben
    • jij zult geassocieerd hebben
    • hij/zij/het zal geassocieerd hebben
    • wij zullen geassocieerd hebben
    • jullie zullen geassocieerd hebben
    • zij zullen geassocieerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou associëren
    • jij zou associëren
    • hij/zij/het zou associëren
    • wij zouden associëren
    • jullie zouden associëren
    • zij zouden associëren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geassocieerd
    • jij zou hebben geassocieerd
    • hij/zij/het zou hebben geassocieerd
    • wij zouden hebben geassocieerd
    • jullie zouden hebben geassocieerd
    • zij zouden hebben geassocieerd
  • Imperatief

    • jij associeer
    • jullie associeert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van associëren