Vervoeging van bakken


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bak
    • jij bakt
    • hij/zij/het bakt
    • wij bakken
    • jullie bakken
    • zij bakken
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bakte
    • jij bakte
    • hij/zij/het bakte
    • wij bakten
    • jullie bakten
    • zij bakten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gebakken
    • jij hebt gebakken
    • hij/zij/het heeft gebakken
    • wij hebben gebakken
    • jullie hebben gebakken
    • zij hebben gebakken
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gebakken
    • jij had gebakken
    • hij/zij/het had gebakken
    • wij hadden gebakken
    • jullie hadden gebakken
    • zij hadden gebakken
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bakken
    • jij zult bakken
    • hij/zij/het zal bakken
    • wij zullen bakken
    • jullie zullen bakken
    • zij zullen bakken
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gebakken hebben
    • jij zult gebakken hebben
    • hij/zij/het zal gebakken hebben
    • wij zullen gebakken hebben
    • jullie zullen gebakken hebben
    • zij zullen gebakken hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bakken
    • jij zou bakken
    • hij/zij/het zou bakken
    • wij zouden bakken
    • jullie zouden bakken
    • zij zouden bakken
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gebakken
    • jij zou hebben gebakken
    • hij/zij/het zou hebben gebakken
    • wij zouden hebben gebakken
    • jullie zouden hebben gebakken
    • zij zouden hebben gebakken
  • Imperatief

    • jij bak
    • jullie bakt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van bakken