Vervoeging van barricaderen

Onbepaalde wijs (infinitief): barricaderen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik barricadeer
    • jij barricadeert
    • hij/zij/het barricadeert
    • wij barricaderen
    • jullie barricaderen
    • zij barricaderen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik barricadeerde
    • jij barricadeerde
    • hij/zij/het barricadeerde
    • wij barricadeerden
    • jullie barricadeerden
    • zij barricadeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gebarricadeerd
    • jij hebt gebarricadeerd
    • hij/zij/het heeft gebarricadeerd
    • wij hebben gebarricadeerd
    • jullie hebben gebarricadeerd
    • zij hebben gebarricadeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gebarricadeerd
    • jij had gebarricadeerd
    • hij/zij/het had gebarricadeerd
    • wij hadden gebarricadeerd
    • jullie hadden gebarricadeerd
    • zij hadden gebarricadeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal barricaderen
    • jij zult barricaderen
    • hij/zij/het zal barricaderen
    • wij zullen barricaderen
    • jullie zullen barricaderen
    • zij zullen barricaderen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gebarricadeerd hebben
    • jij zult gebarricadeerd hebben
    • hij/zij/het zal gebarricadeerd hebben
    • wij zullen gebarricadeerd hebben
    • jullie zullen gebarricadeerd hebben
    • zij zullen gebarricadeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou barricaderen
    • jij zou barricaderen
    • hij/zij/het zou barricaderen
    • wij zouden barricaderen
    • jullie zouden barricaderen
    • zij zouden barricaderen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gebarricadeerd
    • jij zou hebben gebarricadeerd
    • hij/zij/het zou hebben gebarricadeerd
    • wij zouden hebben gebarricadeerd
    • jullie zouden hebben gebarricadeerd
    • zij zouden hebben gebarricadeerd
  • Imperatief

    • jij barricadeer
    • jullie barricadeert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van barricaderen