Vervoeging van begeleiden

Onbepaalde wijs (infinitief): begeleiden

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik begeleid
    • jij begeleidt
    • hij/zij/het begeleidt
    • wij begeleiden
    • jullie begeleiden
    • zij begeleiden
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik begeleidde
    • jij begeleidde
    • hij/zij/het begeleidde
    • wij begeleidden
    • jullie begeleidden
    • zij begeleidden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb begeleid
    • jij hebt begeleid
    • hij/zij/het heeft begeleid
    • wij hebben begeleid
    • jullie hebben begeleid
    • zij hebben begeleid
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had begeleid
    • jij had begeleid
    • hij/zij/het had begeleid
    • wij hadden begeleid
    • jullie hadden begeleid
    • zij hadden begeleid
  • Toekomende tijd I

    • ik zal begeleiden
    • jij zult begeleiden
    • hij/zij/het zal begeleiden
    • wij zullen begeleiden
    • jullie zullen begeleiden
    • zij zullen begeleiden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal begeleid hebben
    • jij zult begeleid hebben
    • hij/zij/het zal begeleid hebben
    • wij zullen begeleid hebben
    • jullie zullen begeleid hebben
    • zij zullen begeleid hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou begeleiden
    • jij zou begeleiden
    • hij/zij/het zou begeleiden
    • wij zouden begeleiden
    • jullie zouden begeleiden
    • zij zouden begeleiden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben begeleid
    • jij zou hebben begeleid
    • hij/zij/het zou hebben begeleid
    • wij zouden hebben begeleid
    • jullie zouden hebben begeleid
    • zij zouden hebben begeleid
  • Imperatief

    • jij begeleid
    • jullie begeleidt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van begeleiden