Vervoeging van beitelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik beitel
    • jij beitelt
    • hij/zij/het beitelt
    • wij beitelen
    • jullie beitelen
    • zij beitelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik beitelde
    • jij beitelde
    • hij/zij/het beitelde
    • wij beitelden
    • jullie beitelden
    • zij beitelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gebeiteld
    • jij hebt gebeiteld
    • hij/zij/het heeft gebeiteld
    • wij hebben gebeiteld
    • jullie hebben gebeiteld
    • zij hebben gebeiteld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gebeiteld
    • jij had gebeiteld
    • hij/zij/het had gebeiteld
    • wij hadden gebeiteld
    • jullie hadden gebeiteld
    • zij hadden gebeiteld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal beitelen
    • jij zult beitelen
    • hij/zij/het zal beitelen
    • wij zullen beitelen
    • jullie zullen beitelen
    • zij zullen beitelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gebeiteld hebben
    • jij zult gebeiteld hebben
    • hij/zij/het zal gebeiteld hebben
    • wij zullen gebeiteld hebben
    • jullie zullen gebeiteld hebben
    • zij zullen gebeiteld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou beitelen
    • jij zou beitelen
    • hij/zij/het zou beitelen
    • wij zouden beitelen
    • jullie zouden beitelen
    • zij zouden beitelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gebeiteld
    • jij zou hebben gebeiteld
    • hij/zij/het zou hebben gebeiteld
    • wij zouden hebben gebeiteld
    • jullie zouden hebben gebeiteld
    • zij zouden hebben gebeiteld
  • Imperatief

    • jij beitel
    • jullie beitelt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van beitelen