Vervoeging van bekoelen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bekoel
    • jij bekoelt
    • hij/zij/het bekoelt
    • wij bekoelen
    • jullie bekoelen
    • zij bekoelen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bekoelde
    • jij bekoelde
    • hij/zij/het bekoelde
    • wij bekoelden
    • jullie bekoelden
    • zij bekoelden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bekoeld
    • jij hebt bekoeld
    • hij/zij/het heeft bekoeld
    • wij hebben bekoeld
    • jullie hebben bekoeld
    • zij hebben bekoeld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bekoeld
    • jij had bekoeld
    • hij/zij/het had bekoeld
    • wij hadden bekoeld
    • jullie hadden bekoeld
    • zij hadden bekoeld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bekoelen
    • jij zult bekoelen
    • hij/zij/het zal bekoelen
    • wij zullen bekoelen
    • jullie zullen bekoelen
    • zij zullen bekoelen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bekoeld hebben
    • jij zult bekoeld hebben
    • hij/zij/het zal bekoeld hebben
    • wij zullen bekoeld hebben
    • jullie zullen bekoeld hebben
    • zij zullen bekoeld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bekoelen
    • jij zou bekoelen
    • hij/zij/het zou bekoelen
    • wij zouden bekoelen
    • jullie zouden bekoelen
    • zij zouden bekoelen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bekoeld
    • jij zou hebben bekoeld
    • hij/zij/het zou hebben bekoeld
    • wij zouden hebben bekoeld
    • jullie zouden hebben bekoeld
    • zij zouden hebben bekoeld
  • Imperatief

    • jij bekoel
    • jullie bekoelt