Vervoeging van benijden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik benijd
    • jij benijdt
    • hij/zij/het benijdt
    • wij benijden
    • jullie benijden
    • zij benijden
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik benijdde
    • jij benijdde
    • hij/zij/het benijdde
    • wij benijdden
    • jullie benijdden
    • zij benijdden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb benijd
    • jij hebt benijd
    • hij/zij/het heeft benijd
    • wij hebben benijd
    • jullie hebben benijd
    • zij hebben benijd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had benijd
    • jij had benijd
    • hij/zij/het had benijd
    • wij hadden benijd
    • jullie hadden benijd
    • zij hadden benijd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal benijden
    • jij zult benijden
    • hij/zij/het zal benijden
    • wij zullen benijden
    • jullie zullen benijden
    • zij zullen benijden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal benijd hebben
    • jij zult benijd hebben
    • hij/zij/het zal benijd hebben
    • wij zullen benijd hebben
    • jullie zullen benijd hebben
    • zij zullen benijd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou benijden
    • jij zou benijden
    • hij/zij/het zou benijden
    • wij zouden benijden
    • jullie zouden benijden
    • zij zouden benijden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben benijd
    • jij zou hebben benijd
    • hij/zij/het zou hebben benijd
    • wij zouden hebben benijd
    • jullie zouden hebben benijd
    • zij zouden hebben benijd
  • Imperatief

    • jij benijd
    • jullie benijdt