Vervoeging van bergen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik berg
    • jij bergt
    • hij/zij/het bergt
    • wij bergen
    • jullie bergen
    • zij bergen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik borg
    • jij borg
    • hij/zij/het borg
    • wij borgen
    • jullie borgen
    • zij borgen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geborgen
    • jij hebt geborgen
    • hij/zij/het heeft geborgen
    • wij hebben geborgen
    • jullie hebben geborgen
    • zij hebben geborgen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geborgen
    • jij had geborgen
    • hij/zij/het had geborgen
    • wij hadden geborgen
    • jullie hadden geborgen
    • zij hadden geborgen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bergen
    • jij zult bergen
    • hij/zij/het zal bergen
    • wij zullen bergen
    • jullie zullen bergen
    • zij zullen bergen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geborgen hebben
    • jij zult geborgen hebben
    • hij/zij/het zal geborgen hebben
    • wij zullen geborgen hebben
    • jullie zullen geborgen hebben
    • zij zullen geborgen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bergen
    • jij zou bergen
    • hij/zij/het zou bergen
    • wij zouden bergen
    • jullie zouden bergen
    • zij zouden bergen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geborgen
    • jij zou hebben geborgen
    • hij/zij/het zou hebben geborgen
    • wij zouden hebben geborgen
    • jullie zouden hebben geborgen
    • zij zouden hebben geborgen
  • Imperatief

    • jij berg
    • jullie bergt

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van bergen