Vervoeging van beroepen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik beroep
    • jij beroept
    • hij/zij/het beroept
    • wij beroepen
    • jullie beroepen
    • zij beroepen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik beriep
    • jij beriep
    • hij/zij/het beriep
    • wij beriepen
    • jullie beriepen
    • zij beriepen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb beroepen
    • jij hebt beroepen
    • hij/zij/het heeft beroepen
    • wij hebben beroepen
    • jullie hebben beroepen
    • zij hebben beroepen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had beroepen
    • jij had beroepen
    • hij/zij/het had beroepen
    • wij hadden beroepen
    • jullie hadden beroepen
    • zij hadden beroepen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal beroepen
    • jij zult beroepen
    • hij/zij/het zal beroepen
    • wij zullen beroepen
    • jullie zullen beroepen
    • zij zullen beroepen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal beroepen hebben
    • jij zult beroepen hebben
    • hij/zij/het zal beroepen hebben
    • wij zullen beroepen hebben
    • jullie zullen beroepen hebben
    • zij zullen beroepen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou beroepen
    • jij zou beroepen
    • hij/zij/het zou beroepen
    • wij zouden beroepen
    • jullie zouden beroepen
    • zij zouden beroepen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben beroepen
    • jij zou hebben beroepen
    • hij/zij/het zou hebben beroepen
    • wij zouden hebben beroepen
    • jullie zouden hebben beroepen
    • zij zouden hebben beroepen
  • Imperatief

    • jij beroep
    • jullie beroept

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van beroepen