Vervoeging van beslechten

Onbepaalde wijs (infinitief): beslechten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik beslecht
    • jij beslecht
    • hij/zij/het beslecht
    • wij beslechten
    • jullie beslechten
    • zij beslechten
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik beslechtte
    • jij beslechtte
    • hij/zij/het beslechtte
    • wij beslechtten
    • jullie beslechtten
    • zij beslechtten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb beslecht
    • jij hebt beslecht
    • hij/zij/het heeft beslecht
    • wij hebben beslecht
    • jullie hebben beslecht
    • zij hebben beslecht
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had beslecht
    • jij had beslecht
    • hij/zij/het had beslecht
    • wij hadden beslecht
    • jullie hadden beslecht
    • zij hadden beslecht
  • Toekomende tijd I

    • ik zal beslechten
    • jij zult beslechten
    • hij/zij/het zal beslechten
    • wij zullen beslechten
    • jullie zullen beslechten
    • zij zullen beslechten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal beslecht hebben
    • jij zult beslecht hebben
    • hij/zij/het zal beslecht hebben
    • wij zullen beslecht hebben
    • jullie zullen beslecht hebben
    • zij zullen beslecht hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou beslechten
    • jij zou beslechten
    • hij/zij/het zou beslechten
    • wij zouden beslechten
    • jullie zouden beslechten
    • zij zouden beslechten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben beslecht
    • jij zou hebben beslecht
    • hij/zij/het zou hebben beslecht
    • wij zouden hebben beslecht
    • jullie zouden hebben beslecht
    • zij zouden hebben beslecht
  • Imperatief

    • jij beslecht
    • jullie beslecht