Vervoeging van bevestigen

Onbepaalde wijs (infinitief): bevestigen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bevestig
    • jij bevestigt
    • hij/zij/het bevestigt
    • wij bevestigen
    • jullie bevestigen
    • zij bevestigen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bevestigde
    • jij bevestigde
    • hij/zij/het bevestigde
    • wij bevestigden
    • jullie bevestigden
    • zij bevestigden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bevestigd
    • jij hebt bevestigd
    • hij/zij/het heeft bevestigd
    • wij hebben bevestigd
    • jullie hebben bevestigd
    • zij hebben bevestigd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bevestigd
    • jij had bevestigd
    • hij/zij/het had bevestigd
    • wij hadden bevestigd
    • jullie hadden bevestigd
    • zij hadden bevestigd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bevestigen
    • jij zult bevestigen
    • hij/zij/het zal bevestigen
    • wij zullen bevestigen
    • jullie zullen bevestigen
    • zij zullen bevestigen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bevestigd hebben
    • jij zult bevestigd hebben
    • hij/zij/het zal bevestigd hebben
    • wij zullen bevestigd hebben
    • jullie zullen bevestigd hebben
    • zij zullen bevestigd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bevestigen
    • jij zou bevestigen
    • hij/zij/het zou bevestigen
    • wij zouden bevestigen
    • jullie zouden bevestigen
    • zij zouden bevestigen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bevestigd
    • jij zou hebben bevestigd
    • hij/zij/het zou hebben bevestigd
    • wij zouden hebben bevestigd
    • jullie zouden hebben bevestigd
    • zij zouden hebben bevestigd
  • Imperatief

    • jij bevestig
    • jullie bevestigt

Verwijzingen

Bekijk 5 definitie(s) van bevestigen