Vervoeging van bewijzen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bewijs
    • jij bewijst
    • hij/zij/het bewijst
    • wij bewijzen
    • jullie bewijzen
    • zij bewijzen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bewees
    • jij bewees
    • hij/zij/het bewees
    • wij bewezen
    • jullie bewezen
    • zij bewezen
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb bewezen
    • jij hebt bewezen
    • hij/zij/het heeft bewezen
    • wij hebben bewezen
    • jullie hebben bewezen
    • zij hebben bewezen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had bewezen
    • jij had bewezen
    • hij/zij/het had bewezen
    • wij hadden bewezen
    • jullie hadden bewezen
    • zij hadden bewezen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bewijzen
    • jij zult bewijzen
    • hij/zij/het zal bewijzen
    • wij zullen bewijzen
    • jullie zullen bewijzen
    • zij zullen bewijzen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bewezen hebben
    • jij zult bewezen hebben
    • hij/zij/het zal bewezen hebben
    • wij zullen bewezen hebben
    • jullie zullen bewezen hebben
    • zij zullen bewezen hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou bewijzen
    • jij zou bewijzen
    • hij/zij/het zou bewijzen
    • wij zouden bewijzen
    • jullie zouden bewijzen
    • zij zouden bewijzen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben bewezen
    • jij zou hebben bewezen
    • hij/zij/het zou hebben bewezen
    • wij zouden hebben bewezen
    • jullie zouden hebben bewezen
    • zij zouden hebben bewezen
  • Imperatief

    • jij bewijs
    • jullie bewijst

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van bewijzen