Vervoeging van bijkomen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik kom bij
    • jij komt bij
    • hij/zij/het komt bij
    • wij komen bij
    • jullie komen bij
    • zij komen bij
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik kwam bij
    • jij kwam bij
    • hij/zij/het kwam bij
    • wij kwamen bij
    • jullie kwamen bij
    • zij kwamen bij
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik ben bijgekomen
    • jij bent bijgekomen
    • hij/zij/het is bijgekomen
    • wij zijn bijgekomen
    • jullie zijn bijgekomen
    • zij zijn bijgekomen
  • Voltooid verleden tijd

    • ik was bijgekomen
    • jij was bijgekomen
    • hij/zij/het was bijgekomen
    • wij waren bijgekomen
    • jullie waren bijgekomen
    • zij waren bijgekomen
  • Toekomende tijd I

    • ik zal bijkomen
    • jij zult bijkomen
    • hij/zij/het zal bijkomen
    • wij zullen bijkomen
    • jullie zullen bijkomen
    • zij zullen bijkomen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal bijgekomen zijn
    • jij zult bijgekomen zijn
    • hij/zij/het zal bijgekomen zijn
    • wij zullen bijgekomen zijn
    • jullie zullen bijgekomen zijn
    • zij zullen bijgekomen zijn
  • Conditionalis I

    • ik zou bijkomen
    • jij zou bijkomen
    • hij/zij/het zou bijkomen
    • wij zouden bijkomen
    • jullie zouden bijkomen
    • zij zouden bijkomen
  • Conditionalis II

    • ik zou zijn bijgekomen
    • jij zou zijn bijgekomen
    • hij/zij/het zou zijn bijgekomen
    • wij zouden zijn bijgekomen
    • jullie zouden zijn bijgekomen
    • zij zouden zijn bijgekomen
  • Imperatief

    • jij kom bij
    • jullie komt bij

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van bijkomen