Vervoeging van bijliggen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het ligt bij
    • zij liggen bij
  • Onvoltooid verleden tijd

    • hij/zij/het lag bij
    • zij lagen bij
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het heeft bijgelegen
    • zij hebben bijgelegen
  • Voltooid verleden tijd

    • hij/zij/het had bijgelegen
    • zij hadden bijgelegen
  • Toekomende tijd I

    • hij/zij/het zal bijliggen
    • zij zult bijliggen
  • Toekomende tijd II

    • hij/zij/het zal bijgelegen hebben
    • zij zult bijgelegen hebben
  • Conditionalis I

    • hij/zij/het zal bijliggen
    • zij zullen bijliggen
  • Conditionalis II

    • hij/zij/het zal hebben bijgelegen
    • zij zullen hebben bijgelegen