Vervoeging van binden


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik bind
    • jij bindt
    • hij/zij/het bindt
    • wij binden
    • jullie binden
    • zij binden
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik bond
    • jij bond
    • hij/zij/het bond
    • wij bonden
    • jullie bonden
    • zij bonden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gebonden
    • jij hebt gebonden
    • hij/zij/het heeft gebonden
    • wij hebben gebonden
    • jullie hebben gebonden
    • zij hebben gebonden
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gebonden
    • jij had gebonden
    • hij/zij/het had gebonden
    • wij hadden gebonden
    • jullie hadden gebonden
    • zij hadden gebonden
  • Toekomende tijd I

    • ik zal binden
    • jij zult binden
    • hij/zij/het zal binden
    • wij zullen binden
    • jullie zullen binden
    • zij zullen binden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gebonden hebben
    • jij zult gebonden hebben
    • hij/zij/het zal gebonden hebben
    • wij zullen gebonden hebben
    • jullie zullen gebonden hebben
    • zij zullen gebonden hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou binden
    • jij zou binden
    • hij/zij/het zou binden
    • wij zouden binden
    • jullie zouden binden
    • zij zouden binden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gebonden
    • jij zou hebben gebonden
    • hij/zij/het zou hebben gebonden
    • wij zouden hebben gebonden
    • jullie zouden hebben gebonden
    • zij zouden hebben gebonden
  • Imperatief

    • jij bind
    • jullie bindt

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van binden