Vervoeging van brullen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik brul
    • jij brult
    • hij/zij/het brult
    • wij brullen
    • jullie brullen
    • zij brullen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik brulde
    • jij brulde
    • hij/zij/het brulde
    • wij brulden
    • jullie brulden
    • zij brulden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gebruld
    • jij hebt gebruld
    • hij/zij/het heeft gebruld
    • wij hebben gebruld
    • jullie hebben gebruld
    • zij hebben gebruld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gebruld
    • jij had gebruld
    • hij/zij/het had gebruld
    • wij hadden gebruld
    • jullie hadden gebruld
    • zij hadden gebruld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal brullen
    • jij zult brullen
    • hij/zij/het zal brullen
    • wij zullen brullen
    • jullie zullen brullen
    • zij zullen brullen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gebruld hebben
    • jij zult gebruld hebben
    • hij/zij/het zal gebruld hebben
    • wij zullen gebruld hebben
    • jullie zullen gebruld hebben
    • zij zullen gebruld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou brullen
    • jij zou brullen
    • hij/zij/het zou brullen
    • wij zouden brullen
    • jullie zouden brullen
    • zij zouden brullen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gebruld
    • jij zou hebben gebruld
    • hij/zij/het zou hebben gebruld
    • wij zouden hebben gebruld
    • jullie zouden hebben gebruld
    • zij zouden hebben gebruld
  • Imperatief

    • jij brul
    • jullie brult

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van brullen