Vervoeging van camoufleren

Onbepaalde wijs (infinitief): camoufleren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik camoufleer
    • jij camoufleert
    • hij/zij/het camoufleert
    • wij camoufleren
    • jullie camoufleren
    • zij camoufleren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik camoufleerde
    • jij camoufleerde
    • hij/zij/het camoufleerde
    • wij camoufleerden
    • jullie camoufleerden
    • zij camoufleerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gecamoufleerd
    • jij hebt gecamoufleerd
    • hij/zij/het heeft gecamoufleerd
    • wij hebben gecamoufleerd
    • jullie hebben gecamoufleerd
    • zij hebben gecamoufleerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gecamoufleerd
    • jij had gecamoufleerd
    • hij/zij/het had gecamoufleerd
    • wij hadden gecamoufleerd
    • jullie hadden gecamoufleerd
    • zij hadden gecamoufleerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal camoufleren
    • jij zult camoufleren
    • hij/zij/het zal camoufleren
    • wij zullen camoufleren
    • jullie zullen camoufleren
    • zij zullen camoufleren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gecamoufleerd hebben
    • jij zult gecamoufleerd hebben
    • hij/zij/het zal gecamoufleerd hebben
    • wij zullen gecamoufleerd hebben
    • jullie zullen gecamoufleerd hebben
    • zij zullen gecamoufleerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou camoufleren
    • jij zou camoufleren
    • hij/zij/het zou camoufleren
    • wij zouden camoufleren
    • jullie zouden camoufleren
    • zij zouden camoufleren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gecamoufleerd
    • jij zou hebben gecamoufleerd
    • hij/zij/het zou hebben gecamoufleerd
    • wij zouden hebben gecamoufleerd
    • jullie zouden hebben gecamoufleerd
    • zij zouden hebben gecamoufleerd
  • Imperatief

    • jij camoufleer
    • jullie camoufleert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van camoufleren