Vervoeging van canneleren

Onbepaalde wijs (infinitief): canneleren
  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik canneleer
    • jij canneleert
    • hij/zij/het canneleert
    • wij canneleren
    • jullie canneleren
    • zij canneleren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik canneleerde
    • jij canneleerde
    • hij/zij/het canneleerde
    • wij canneleerden
    • jullie canneleerden
    • zij canneleerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gecanneleerd
    • jij hebt gecanneleerd
    • hij/zij/het heeft gecanneleerd
    • wij hebben gecanneleerd
    • jullie hebben gecanneleerd
    • zij hebben gecanneleerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gecanneleerd
    • jij had gecanneleerd
    • hij/zij/het had gecanneleerd
    • wij hadden gecanneleerd
    • jullie hadden gecanneleerd
    • zij hadden gecanneleerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal canneleren
    • jij zult canneleren
    • hij/zij/het zal canneleren
    • wij zullen canneleren
    • jullie zullen canneleren
    • zij zullen canneleren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gecanneleerd hebben
    • jij zult gecanneleerd hebben
    • hij/zij/het zal gecanneleerd hebben
    • wij zullen gecanneleerd hebben
    • jullie zullen gecanneleerd hebben
    • zij zullen gecanneleerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou canneleren
    • jij zou canneleren
    • hij/zij/het zou canneleren
    • wij zouden canneleren
    • jullie zouden canneleren
    • zij zouden canneleren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gecanneleerd
    • jij zou hebben gecanneleerd
    • hij/zij/het zou hebben gecanneleerd
    • wij zouden hebben gecanneleerd
    • jullie zouden hebben gecanneleerd
    • zij zouden hebben gecanneleerd
  • Imperatief

    • jij canneleer
    • jullie canneleert