Vervoeging van collideren

Onbepaalde wijs (infinitief): collideren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik collideer
    • jij collideert
    • hij/zij/het collideert
    • wij collideren
    • jullie collideren
    • zij collideren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik collideerde
    • jij collideerde
    • hij/zij/het collideerde
    • wij collideerden
    • jullie collideerden
    • zij collideerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gecollideerd
    • jij hebt gecollideerd
    • hij/zij/het heeft gecollideerd
    • wij hebben gecollideerd
    • jullie hebben gecollideerd
    • zij hebben gecollideerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gecollideerd
    • jij had gecollideerd
    • hij/zij/het had gecollideerd
    • wij hadden gecollideerd
    • jullie hadden gecollideerd
    • zij hadden gecollideerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal collideren
    • jij zult collideren
    • hij/zij/het zal collideren
    • wij zullen collideren
    • jullie zullen collideren
    • zij zullen collideren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gecollideerd hebben
    • jij zult gecollideerd hebben
    • hij/zij/het zal gecollideerd hebben
    • wij zullen gecollideerd hebben
    • jullie zullen gecollideerd hebben
    • zij zullen gecollideerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou collideren
    • jij zou collideren
    • hij/zij/het zou collideren
    • wij zouden collideren
    • jullie zouden collideren
    • zij zouden collideren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gecollideerd
    • jij zou hebben gecollideerd
    • hij/zij/het zou hebben gecollideerd
    • wij zouden hebben gecollideerd
    • jullie zouden hebben gecollideerd
    • zij zouden hebben gecollideerd
  • Imperatief

    • jij collideer
    • jullie collideert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van collideren