Vervoeging van colporteren

Onbepaalde wijs (infinitief): colporteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik colporteer
    • jij colporteert
    • hij/zij/het colporteert
    • wij colporteren
    • jullie colporteren
    • zij colporteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik colporteerde
    • jij colporteerde
    • hij/zij/het colporteerde
    • wij colporteerden
    • jullie colporteerden
    • zij colporteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gecolporteerd
    • jij hebt gecolporteerd
    • hij/zij/het heeft gecolporteerd
    • wij hebben gecolporteerd
    • jullie hebben gecolporteerd
    • zij hebben gecolporteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gecolporteerd
    • jij had gecolporteerd
    • hij/zij/het had gecolporteerd
    • wij hadden gecolporteerd
    • jullie hadden gecolporteerd
    • zij hadden gecolporteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal colporteren
    • jij zult colporteren
    • hij/zij/het zal colporteren
    • wij zullen colporteren
    • jullie zullen colporteren
    • zij zullen colporteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gecolporteerd hebben
    • jij zult gecolporteerd hebben
    • hij/zij/het zal gecolporteerd hebben
    • wij zullen gecolporteerd hebben
    • jullie zullen gecolporteerd hebben
    • zij zullen gecolporteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou colporteren
    • jij zou colporteren
    • hij/zij/het zou colporteren
    • wij zouden colporteren
    • jullie zouden colporteren
    • zij zouden colporteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gecolporteerd
    • jij zou hebben gecolporteerd
    • hij/zij/het zou hebben gecolporteerd
    • wij zouden hebben gecolporteerd
    • jullie zouden hebben gecolporteerd
    • zij zouden hebben gecolporteerd
  • Imperatief

    • jij colporteer
    • jullie colporteert