Vervoeging van convergeren

Onbepaalde wijs (infinitief): convergeren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het convergeert
    • zij convergeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • hij/zij/het convergeerde
    • zij convergeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • hij/zij/het heeft geconvergeerd
    • zij hebben geconvergeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • hij/zij/het had geconvergeerd
    • zij hadden geconvergeerd
  • Toekomende tijd I

    • hij/zij/het zal convergeren
    • zij zult convergeren
  • Toekomende tijd II

    • hij/zij/het zal geconvergeerd hebben
    • zij zult geconvergeerd hebben
  • Conditionalis I

    • hij/zij/het zal convergeren
    • zij zullen convergeren
  • Conditionalis II

    • hij/zij/het zal hebben geconvergeerd
    • zij zullen hebben geconvergeerd

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van convergeren