Vervoeging van dagen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik daag
    • jij daagt
    • hij/zij/het daagt
    • wij dagen
    • jullie dagen
    • zij dagen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik daagde
    • jij daagde
    • hij/zij/het daagde
    • wij daagden
    • jullie daagden
    • zij daagden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedaagd
    • jij hebt gedaagd
    • hij/zij/het heeft gedaagd
    • wij hebben gedaagd
    • jullie hebben gedaagd
    • zij hebben gedaagd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedaagd
    • jij had gedaagd
    • hij/zij/het had gedaagd
    • wij hadden gedaagd
    • jullie hadden gedaagd
    • zij hadden gedaagd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal dagen
    • jij zult dagen
    • hij/zij/het zal dagen
    • wij zullen dagen
    • jullie zullen dagen
    • zij zullen dagen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedaagd hebben
    • jij zult gedaagd hebben
    • hij/zij/het zal gedaagd hebben
    • wij zullen gedaagd hebben
    • jullie zullen gedaagd hebben
    • zij zullen gedaagd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou dagen
    • jij zou dagen
    • hij/zij/het zou dagen
    • wij zouden dagen
    • jullie zouden dagen
    • zij zouden dagen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedaagd
    • jij zou hebben gedaagd
    • hij/zij/het zou hebben gedaagd
    • wij zouden hebben gedaagd
    • jullie zouden hebben gedaagd
    • zij zouden hebben gedaagd
  • Imperatief

    • jij daag
    • jullie daagt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van dagen