Vervoeging van dealen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik deal
    • jij dealt
    • hij/zij/het dealt
    • wij dealen
    • jullie dealen
    • zij dealen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik dealde
    • jij dealde
    • hij/zij/het dealde
    • wij dealden
    • jullie dealden
    • zij dealden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedeald
    • jij hebt gedeald
    • hij/zij/het heeft gedeald
    • wij hebben gedeald
    • jullie hebben gedeald
    • zij hebben gedeald
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedeald
    • jij had gedeald
    • hij/zij/het had gedeald
    • wij hadden gedeald
    • jullie hadden gedeald
    • zij hadden gedeald
  • Toekomende tijd I

    • ik zal dealen
    • jij zult dealen
    • hij/zij/het zal dealen
    • wij zullen dealen
    • jullie zullen dealen
    • zij zullen dealen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedeald hebben
    • jij zult gedeald hebben
    • hij/zij/het zal gedeald hebben
    • wij zullen gedeald hebben
    • jullie zullen gedeald hebben
    • zij zullen gedeald hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou dealen
    • jij zou dealen
    • hij/zij/het zou dealen
    • wij zouden dealen
    • jullie zouden dealen
    • zij zouden dealen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedeald
    • jij zou hebben gedeald
    • hij/zij/het zou hebben gedeald
    • wij zouden hebben gedeald
    • jullie zouden hebben gedeald
    • zij zouden hebben gedeald
  • Imperatief

    • jij deal
    • jullie dealt

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van dealen