Vervoeging van decanteren

Onbepaalde wijs (infinitief): decanteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik decanteer
    • jij decanteert
    • hij/zij/het decanteert
    • wij decanteren
    • jullie decanteren
    • zij decanteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik decanteerde
    • jij decanteerde
    • hij/zij/het decanteerde
    • wij decanteerden
    • jullie decanteerden
    • zij decanteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedecanteerd
    • jij hebt gedecanteerd
    • hij/zij/het heeft gedecanteerd
    • wij hebben gedecanteerd
    • jullie hebben gedecanteerd
    • zij hebben gedecanteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedecanteerd
    • jij had gedecanteerd
    • hij/zij/het had gedecanteerd
    • wij hadden gedecanteerd
    • jullie hadden gedecanteerd
    • zij hadden gedecanteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal decanteren
    • jij zult decanteren
    • hij/zij/het zal decanteren
    • wij zullen decanteren
    • jullie zullen decanteren
    • zij zullen decanteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedecanteerd hebben
    • jij zult gedecanteerd hebben
    • hij/zij/het zal gedecanteerd hebben
    • wij zullen gedecanteerd hebben
    • jullie zullen gedecanteerd hebben
    • zij zullen gedecanteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou decanteren
    • jij zou decanteren
    • hij/zij/het zou decanteren
    • wij zouden decanteren
    • jullie zouden decanteren
    • zij zouden decanteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedecanteerd
    • jij zou hebben gedecanteerd
    • hij/zij/het zou hebben gedecanteerd
    • wij zouden hebben gedecanteerd
    • jullie zouden hebben gedecanteerd
    • zij zouden hebben gedecanteerd
  • Imperatief

    • jij decanteer
    • jullie decanteert