Vervoeging van decimeren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik decimeer
    • jij decimeert
    • hij/zij/het decimeert
    • wij decimeren
    • jullie decimeren
    • zij decimeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik decimeerde
    • jij decimeerde
    • hij/zij/het decimeerde
    • wij decimeerden
    • jullie decimeerden
    • zij decimeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedecimeerd
    • jij hebt gedecimeerd
    • hij/zij/het heeft gedecimeerd
    • wij hebben gedecimeerd
    • jullie hebben gedecimeerd
    • zij hebben gedecimeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedecimeerd
    • jij had gedecimeerd
    • hij/zij/het had gedecimeerd
    • wij hadden gedecimeerd
    • jullie hadden gedecimeerd
    • zij hadden gedecimeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal decimeren
    • jij zult decimeren
    • hij/zij/het zal decimeren
    • wij zullen decimeren
    • jullie zullen decimeren
    • zij zullen decimeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedecimeerd hebben
    • jij zult gedecimeerd hebben
    • hij/zij/het zal gedecimeerd hebben
    • wij zullen gedecimeerd hebben
    • jullie zullen gedecimeerd hebben
    • zij zullen gedecimeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou decimeren
    • jij zou decimeren
    • hij/zij/het zou decimeren
    • wij zouden decimeren
    • jullie zouden decimeren
    • zij zouden decimeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedecimeerd
    • jij zou hebben gedecimeerd
    • hij/zij/het zou hebben gedecimeerd
    • wij zouden hebben gedecimeerd
    • jullie zouden hebben gedecimeerd
    • zij zouden hebben gedecimeerd
  • Imperatief

    • jij decimeer
    • jullie decimeert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van decimeren