Vervoeging van demonteren

Onbepaalde wijs (infinitief): demonteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik demonteer
    • jij demonteert
    • hij/zij/het demonteert
    • wij demonteren
    • jullie demonteren
    • zij demonteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik demonteerde
    • jij demonteerde
    • hij/zij/het demonteerde
    • wij demonteerden
    • jullie demonteerden
    • zij demonteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedemonteerd
    • jij hebt gedemonteerd
    • hij/zij/het heeft gedemonteerd
    • wij hebben gedemonteerd
    • jullie hebben gedemonteerd
    • zij hebben gedemonteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedemonteerd
    • jij had gedemonteerd
    • hij/zij/het had gedemonteerd
    • wij hadden gedemonteerd
    • jullie hadden gedemonteerd
    • zij hadden gedemonteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal demonteren
    • jij zult demonteren
    • hij/zij/het zal demonteren
    • wij zullen demonteren
    • jullie zullen demonteren
    • zij zullen demonteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedemonteerd hebben
    • jij zult gedemonteerd hebben
    • hij/zij/het zal gedemonteerd hebben
    • wij zullen gedemonteerd hebben
    • jullie zullen gedemonteerd hebben
    • zij zullen gedemonteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou demonteren
    • jij zou demonteren
    • hij/zij/het zou demonteren
    • wij zouden demonteren
    • jullie zouden demonteren
    • zij zouden demonteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedemonteerd
    • jij zou hebben gedemonteerd
    • hij/zij/het zou hebben gedemonteerd
    • wij zouden hebben gedemonteerd
    • jullie zouden hebben gedemonteerd
    • zij zouden hebben gedemonteerd
  • Imperatief

    • jij demonteer
    • jullie demonteert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van demonteren