Vervoeging van dicteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik dicteer
    • jij dicteert
    • hij/zij/het dicteert
    • wij dicteren
    • jullie dicteren
    • zij dicteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik dicteerde
    • jij dicteerde
    • hij/zij/het dicteerde
    • wij dicteerden
    • jullie dicteerden
    • zij dicteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedicteerd
    • jij hebt gedicteerd
    • hij/zij/het heeft gedicteerd
    • wij hebben gedicteerd
    • jullie hebben gedicteerd
    • zij hebben gedicteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedicteerd
    • jij had gedicteerd
    • hij/zij/het had gedicteerd
    • wij hadden gedicteerd
    • jullie hadden gedicteerd
    • zij hadden gedicteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal dicteren
    • jij zult dicteren
    • hij/zij/het zal dicteren
    • wij zullen dicteren
    • jullie zullen dicteren
    • zij zullen dicteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedicteerd hebben
    • jij zult gedicteerd hebben
    • hij/zij/het zal gedicteerd hebben
    • wij zullen gedicteerd hebben
    • jullie zullen gedicteerd hebben
    • zij zullen gedicteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou dicteren
    • jij zou dicteren
    • hij/zij/het zou dicteren
    • wij zouden dicteren
    • jullie zouden dicteren
    • zij zouden dicteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedicteerd
    • jij zou hebben gedicteerd
    • hij/zij/het zou hebben gedicteerd
    • wij zouden hebben gedicteerd
    • jullie zouden hebben gedicteerd
    • zij zouden hebben gedicteerd
  • Imperatief

    • jij dicteer
    • jullie dicteert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van dicteren