Vervoeging van dienen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik dien
    • jij dient
    • hij/zij/het dient
    • wij dienen
    • jullie dienen
    • zij dienen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik diende
    • jij diende
    • hij/zij/het diende
    • wij dienden
    • jullie dienden
    • zij dienden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gediend
    • jij hebt gediend
    • hij/zij/het heeft gediend
    • wij hebben gediend
    • jullie hebben gediend
    • zij hebben gediend
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gediend
    • jij had gediend
    • hij/zij/het had gediend
    • wij hadden gediend
    • jullie hadden gediend
    • zij hadden gediend
  • Toekomende tijd I

    • ik zal dienen
    • jij zult dienen
    • hij/zij/het zal dienen
    • wij zullen dienen
    • jullie zullen dienen
    • zij zullen dienen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gediend hebben
    • jij zult gediend hebben
    • hij/zij/het zal gediend hebben
    • wij zullen gediend hebben
    • jullie zullen gediend hebben
    • zij zullen gediend hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou dienen
    • jij zou dienen
    • hij/zij/het zou dienen
    • wij zouden dienen
    • jullie zouden dienen
    • zij zouden dienen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gediend
    • jij zou hebben gediend
    • hij/zij/het zou hebben gediend
    • wij zouden hebben gediend
    • jullie zouden hebben gediend
    • zij zouden hebben gediend
  • Imperatief

    • jij dien
    • jullie dient

Verwijzingen

Bekijk 4 definitie(s) van dienen