Vervoeging van distilleren

Onbepaalde wijs (infinitief): distilleren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik distilleer
    • jij distilleert
    • hij/zij/het distilleert
    • wij distilleren
    • jullie distilleren
    • zij distilleren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik distilleerde
    • jij distilleerde
    • hij/zij/het distilleerde
    • wij distilleerden
    • jullie distilleerden
    • zij distilleerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedistilleerd
    • jij hebt gedistilleerd
    • hij/zij/het heeft gedistilleerd
    • wij hebben gedistilleerd
    • jullie hebben gedistilleerd
    • zij hebben gedistilleerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedistilleerd
    • jij had gedistilleerd
    • hij/zij/het had gedistilleerd
    • wij hadden gedistilleerd
    • jullie hadden gedistilleerd
    • zij hadden gedistilleerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal distilleren
    • jij zult distilleren
    • hij/zij/het zal distilleren
    • wij zullen distilleren
    • jullie zullen distilleren
    • zij zullen distilleren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedistilleerd hebben
    • jij zult gedistilleerd hebben
    • hij/zij/het zal gedistilleerd hebben
    • wij zullen gedistilleerd hebben
    • jullie zullen gedistilleerd hebben
    • zij zullen gedistilleerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou distilleren
    • jij zou distilleren
    • hij/zij/het zou distilleren
    • wij zouden distilleren
    • jullie zouden distilleren
    • zij zouden distilleren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedistilleerd
    • jij zou hebben gedistilleerd
    • hij/zij/het zou hebben gedistilleerd
    • wij zouden hebben gedistilleerd
    • jullie zouden hebben gedistilleerd
    • zij zouden hebben gedistilleerd
  • Imperatief

    • jij distilleer
    • jullie distilleert