Vervoeging van distribueren

Onbepaalde wijs (infinitief): distribueren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik distribueer
    • jij distribueert
    • hij/zij/het distribueert
    • wij distribueren
    • jullie distribueren
    • zij distribueren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik distribueerde
    • jij distribueerde
    • hij/zij/het distribueerde
    • wij distribueerden
    • jullie distribueerden
    • zij distribueerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gedistribueerd
    • jij hebt gedistribueerd
    • hij/zij/het heeft gedistribueerd
    • wij hebben gedistribueerd
    • jullie hebben gedistribueerd
    • zij hebben gedistribueerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gedistribueerd
    • jij had gedistribueerd
    • hij/zij/het had gedistribueerd
    • wij hadden gedistribueerd
    • jullie hadden gedistribueerd
    • zij hadden gedistribueerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal distribueren
    • jij zult distribueren
    • hij/zij/het zal distribueren
    • wij zullen distribueren
    • jullie zullen distribueren
    • zij zullen distribueren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gedistribueerd hebben
    • jij zult gedistribueerd hebben
    • hij/zij/het zal gedistribueerd hebben
    • wij zullen gedistribueerd hebben
    • jullie zullen gedistribueerd hebben
    • zij zullen gedistribueerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou distribueren
    • jij zou distribueren
    • hij/zij/het zou distribueren
    • wij zouden distribueren
    • jullie zouden distribueren
    • zij zouden distribueren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gedistribueerd
    • jij zou hebben gedistribueerd
    • hij/zij/het zou hebben gedistribueerd
    • wij zouden hebben gedistribueerd
    • jullie zouden hebben gedistribueerd
    • zij zouden hebben gedistribueerd
  • Imperatief

    • jij distribueer
    • jullie distribueert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van distribueren