Vervoeging van echoën

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik echo
    • jij echoot
    • hij/zij/het echoot
    • wij echoën
    • jullie echoën
    • zij echoën
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik echode
    • jij echode
    • hij/zij/het echode
    • wij echoden
    • jullie echoden
    • zij echoden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geëchood
    • jij hebt geëchood
    • hij/zij/het heeft geëchood
    • wij hebben geëchood
    • jullie hebben geëchood
    • zij hebben geëchood
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geëchood
    • jij had geëchood
    • hij/zij/het had geëchood
    • wij hadden geëchood
    • jullie hadden geëchood
    • zij hadden geëchood
  • Toekomende tijd I

    • ik zal echoën
    • jij zult echoën
    • hij/zij/het zal echoën
    • wij zullen echoën
    • jullie zullen echoën
    • zij zullen echoën
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geëchood hebben
    • jij zult geëchood hebben
    • hij/zij/het zal geëchood hebben
    • wij zullen geëchood hebben
    • jullie zullen geëchood hebben
    • zij zullen geëchood hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou echoën
    • jij zou echoën
    • hij/zij/het zou echoën
    • wij zouden echoën
    • jullie zouden echoën
    • zij zouden echoën
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geëchood
    • jij zou hebben geëchood
    • hij/zij/het zou hebben geëchood
    • wij zouden hebben geëchood
    • jullie zouden hebben geëchood
    • zij zouden hebben geëchood
  • Imperatief

    • jij echo
    • jullie echoot

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van echoën