Vervoeging van ensceneren

Onbepaalde wijs (infinitief): ensceneren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik ensceneer
    • jij ensceneert
    • hij/zij/het ensceneert
    • wij ensceneren
    • jullie ensceneren
    • zij ensceneren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik ensceneerde
    • jij ensceneerde
    • hij/zij/het ensceneerde
    • wij ensceneerden
    • jullie ensceneerden
    • zij ensceneerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geënsceneerd
    • jij hebt geënsceneerd
    • hij/zij/het heeft geënsceneerd
    • wij hebben geënsceneerd
    • jullie hebben geënsceneerd
    • zij hebben geënsceneerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geënsceneerd
    • jij had geënsceneerd
    • hij/zij/het had geënsceneerd
    • wij hadden geënsceneerd
    • jullie hadden geënsceneerd
    • zij hadden geënsceneerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ensceneren
    • jij zult ensceneren
    • hij/zij/het zal ensceneren
    • wij zullen ensceneren
    • jullie zullen ensceneren
    • zij zullen ensceneren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geënsceneerd hebben
    • jij zult geënsceneerd hebben
    • hij/zij/het zal geënsceneerd hebben
    • wij zullen geënsceneerd hebben
    • jullie zullen geënsceneerd hebben
    • zij zullen geënsceneerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ensceneren
    • jij zou ensceneren
    • hij/zij/het zou ensceneren
    • wij zouden ensceneren
    • jullie zouden ensceneren
    • zij zouden ensceneren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geënsceneerd
    • jij zou hebben geënsceneerd
    • hij/zij/het zou hebben geënsceneerd
    • wij zouden hebben geënsceneerd
    • jullie zouden hebben geënsceneerd
    • zij zouden hebben geënsceneerd
  • Imperatief

    • jij ensceneer
    • jullie ensceneert

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van ensceneren