Vervoeging van entameren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik entameer
    • jij entameert
    • hij/zij/het entameert
    • wij entameren
    • jullie entameren
    • zij entameren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik entameerde
    • jij entameerde
    • hij/zij/het entameerde
    • wij entameerden
    • jullie entameerden
    • zij entameerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geëntameerd
    • jij hebt geëntameerd
    • hij/zij/het heeft geëntameerd
    • wij hebben geëntameerd
    • jullie hebben geëntameerd
    • zij hebben geëntameerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geëntameerd
    • jij had geëntameerd
    • hij/zij/het had geëntameerd
    • wij hadden geëntameerd
    • jullie hadden geëntameerd
    • zij hadden geëntameerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal entameren
    • jij zult entameren
    • hij/zij/het zal entameren
    • wij zullen entameren
    • jullie zullen entameren
    • zij zullen entameren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geëntameerd hebben
    • jij zult geëntameerd hebben
    • hij/zij/het zal geëntameerd hebben
    • wij zullen geëntameerd hebben
    • jullie zullen geëntameerd hebben
    • zij zullen geëntameerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou entameren
    • jij zou entameren
    • hij/zij/het zou entameren
    • wij zouden entameren
    • jullie zouden entameren
    • zij zouden entameren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geëntameerd
    • jij zou hebben geëntameerd
    • hij/zij/het zou hebben geëntameerd
    • wij zouden hebben geëntameerd
    • jullie zouden hebben geëntameerd
    • zij zouden hebben geëntameerd
  • Imperatief

    • jij entameer
    • jullie entameert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van entameren