Vervoeging van exploiteren

Onbepaalde wijs (infinitief): exploiteren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik exploiteer
    • jij exploiteert
    • hij/zij/het exploiteert
    • wij exploiteren
    • jullie exploiteren
    • zij exploiteren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik exploiteerde
    • jij exploiteerde
    • hij/zij/het exploiteerde
    • wij exploiteerden
    • jullie exploiteerden
    • zij exploiteerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geëxploiteerd
    • jij hebt geëxploiteerd
    • hij/zij/het heeft geëxploiteerd
    • wij hebben geëxploiteerd
    • jullie hebben geëxploiteerd
    • zij hebben geëxploiteerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geëxploiteerd
    • jij had geëxploiteerd
    • hij/zij/het had geëxploiteerd
    • wij hadden geëxploiteerd
    • jullie hadden geëxploiteerd
    • zij hadden geëxploiteerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal exploiteren
    • jij zult exploiteren
    • hij/zij/het zal exploiteren
    • wij zullen exploiteren
    • jullie zullen exploiteren
    • zij zullen exploiteren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geëxploiteerd hebben
    • jij zult geëxploiteerd hebben
    • hij/zij/het zal geëxploiteerd hebben
    • wij zullen geëxploiteerd hebben
    • jullie zullen geëxploiteerd hebben
    • zij zullen geëxploiteerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou exploiteren
    • jij zou exploiteren
    • hij/zij/het zou exploiteren
    • wij zouden exploiteren
    • jullie zouden exploiteren
    • zij zouden exploiteren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geëxploiteerd
    • jij zou hebben geëxploiteerd
    • hij/zij/het zou hebben geëxploiteerd
    • wij zouden hebben geëxploiteerd
    • jullie zouden hebben geëxploiteerd
    • zij zouden hebben geëxploiteerd
  • Imperatief

    • jij exploiteer
    • jullie exploiteert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van exploiteren