Vervoeging van flagelleren

Onbepaalde wijs (infinitief): flagelleren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik flagelleer
    • jij flagelleert
    • hij/zij/het flagelleert
    • wij flagelleren
    • jullie flagelleren
    • zij flagelleren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik flagelleerde
    • jij flagelleerde
    • hij/zij/het flagelleerde
    • wij flagelleerden
    • jullie flagelleerden
    • zij flagelleerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geflagelleerd
    • jij hebt geflagelleerd
    • hij/zij/het heeft geflagelleerd
    • wij hebben geflagelleerd
    • jullie hebben geflagelleerd
    • zij hebben geflagelleerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geflagelleerd
    • jij had geflagelleerd
    • hij/zij/het had geflagelleerd
    • wij hadden geflagelleerd
    • jullie hadden geflagelleerd
    • zij hadden geflagelleerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal flagelleren
    • jij zult flagelleren
    • hij/zij/het zal flagelleren
    • wij zullen flagelleren
    • jullie zullen flagelleren
    • zij zullen flagelleren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geflagelleerd hebben
    • jij zult geflagelleerd hebben
    • hij/zij/het zal geflagelleerd hebben
    • wij zullen geflagelleerd hebben
    • jullie zullen geflagelleerd hebben
    • zij zullen geflagelleerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou flagelleren
    • jij zou flagelleren
    • hij/zij/het zou flagelleren
    • wij zouden flagelleren
    • jullie zouden flagelleren
    • zij zouden flagelleren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geflagelleerd
    • jij zou hebben geflagelleerd
    • hij/zij/het zou hebben geflagelleerd
    • wij zouden hebben geflagelleerd
    • jullie zouden hebben geflagelleerd
    • zij zouden hebben geflagelleerd
  • Imperatief

    • jij flagelleer
    • jullie flagelleert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van flagelleren