Vervoeging van focussen

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik focus
    • jij focust
    • hij/zij/het focust
    • wij focussen
    • jullie focussen
    • zij focussen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik focuste
    • jij focuste
    • hij/zij/het focuste
    • wij focusten
    • jullie focusten
    • zij focusten
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gefocust
    • jij hebt gefocust
    • hij/zij/het heeft gefocust
    • wij hebben gefocust
    • jullie hebben gefocust
    • zij hebben gefocust
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gefocust
    • jij had gefocust
    • hij/zij/het had gefocust
    • wij hadden gefocust
    • jullie hadden gefocust
    • zij hadden gefocust
  • Toekomende tijd I

    • ik zal focussen
    • jij zult focussen
    • hij/zij/het zal focussen
    • wij zullen focussen
    • jullie zullen focussen
    • zij zullen focussen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gefocust hebben
    • jij zult gefocust hebben
    • hij/zij/het zal gefocust hebben
    • wij zullen gefocust hebben
    • jullie zullen gefocust hebben
    • zij zullen gefocust hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou focussen
    • jij zou focussen
    • hij/zij/het zou focussen
    • wij zouden focussen
    • jullie zouden focussen
    • zij zouden focussen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gefocust
    • jij zou hebben gefocust
    • hij/zij/het zou hebben gefocust
    • wij zouden hebben gefocust
    • jullie zouden hebben gefocust
    • zij zouden hebben gefocust
  • Imperatief

    • jij focus
    • jullie focust

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van focussen