Vervoeging van funderen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik fundeer
    • jij fundeert
    • hij/zij/het fundeert
    • wij funderen
    • jullie funderen
    • zij funderen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik fundeerde
    • jij fundeerde
    • hij/zij/het fundeerde
    • wij fundeerden
    • jullie fundeerden
    • zij fundeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gefundeerd
    • jij hebt gefundeerd
    • hij/zij/het heeft gefundeerd
    • wij hebben gefundeerd
    • jullie hebben gefundeerd
    • zij hebben gefundeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gefundeerd
    • jij had gefundeerd
    • hij/zij/het had gefundeerd
    • wij hadden gefundeerd
    • jullie hadden gefundeerd
    • zij hadden gefundeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal funderen
    • jij zult funderen
    • hij/zij/het zal funderen
    • wij zullen funderen
    • jullie zullen funderen
    • zij zullen funderen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gefundeerd hebben
    • jij zult gefundeerd hebben
    • hij/zij/het zal gefundeerd hebben
    • wij zullen gefundeerd hebben
    • jullie zullen gefundeerd hebben
    • zij zullen gefundeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou funderen
    • jij zou funderen
    • hij/zij/het zou funderen
    • wij zouden funderen
    • jullie zouden funderen
    • zij zouden funderen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gefundeerd
    • jij zou hebben gefundeerd
    • hij/zij/het zou hebben gefundeerd
    • wij zouden hebben gefundeerd
    • jullie zouden hebben gefundeerd
    • zij zouden hebben gefundeerd
  • Imperatief

    • jij fundeer
    • jullie fundeert