Vervoeging van geselen


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik gesel
    • jij geselt
    • hij/zij/het geselt
    • wij geselen
    • jullie geselen
    • zij geselen
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik geselde
    • jij geselde
    • hij/zij/het geselde
    • wij geselden
    • jullie geselden
    • zij geselden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gegeseld
    • jij hebt gegeseld
    • hij/zij/het heeft gegeseld
    • wij hebben gegeseld
    • jullie hebben gegeseld
    • zij hebben gegeseld
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gegeseld
    • jij had gegeseld
    • hij/zij/het had gegeseld
    • wij hadden gegeseld
    • jullie hadden gegeseld
    • zij hadden gegeseld
  • Toekomende tijd I

    • ik zal geselen
    • jij zult geselen
    • hij/zij/het zal geselen
    • wij zullen geselen
    • jullie zullen geselen
    • zij zullen geselen
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gegeseld hebben
    • jij zult gegeseld hebben
    • hij/zij/het zal gegeseld hebben
    • wij zullen gegeseld hebben
    • jullie zullen gegeseld hebben
    • zij zullen gegeseld hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou geselen
    • jij zou geselen
    • hij/zij/het zou geselen
    • wij zouden geselen
    • jullie zouden geselen
    • zij zouden geselen
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gegeseld
    • jij zou hebben gegeseld
    • hij/zij/het zou hebben gegeseld
    • wij zouden hebben gegeseld
    • jullie zouden hebben gegeseld
    • zij zouden hebben gegeseld
  • Imperatief

    • jij gesel
    • jullie geselt

Verwijzingen

Bekijk 2 definitie(s) van geselen