Vervoeging van gesticuleren

Onbepaalde wijs (infinitief): gesticuleren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik gesticuleer
    • jij gesticuleert
    • hij/zij/het gesticuleert
    • wij gesticuleren
    • jullie gesticuleren
    • zij gesticuleren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik gesticuleerde
    • jij gesticuleerde
    • hij/zij/het gesticuleerde
    • wij gesticuleerden
    • jullie gesticuleerden
    • zij gesticuleerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gegesticuleerd
    • jij hebt gegesticuleerd
    • hij/zij/het heeft gegesticuleerd
    • wij hebben gegesticuleerd
    • jullie hebben gegesticuleerd
    • zij hebben gegesticuleerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gegesticuleerd
    • jij had gegesticuleerd
    • hij/zij/het had gegesticuleerd
    • wij hadden gegesticuleerd
    • jullie hadden gegesticuleerd
    • zij hadden gegesticuleerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal gesticuleren
    • jij zult gesticuleren
    • hij/zij/het zal gesticuleren
    • wij zullen gesticuleren
    • jullie zullen gesticuleren
    • zij zullen gesticuleren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gegesticuleerd hebben
    • jij zult gegesticuleerd hebben
    • hij/zij/het zal gegesticuleerd hebben
    • wij zullen gegesticuleerd hebben
    • jullie zullen gegesticuleerd hebben
    • zij zullen gegesticuleerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou gesticuleren
    • jij zou gesticuleren
    • hij/zij/het zou gesticuleren
    • wij zouden gesticuleren
    • jullie zouden gesticuleren
    • zij zouden gesticuleren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gegesticuleerd
    • jij zou hebben gegesticuleerd
    • hij/zij/het zou hebben gegesticuleerd
    • wij zouden hebben gegesticuleerd
    • jullie zouden hebben gegesticuleerd
    • zij zouden hebben gegesticuleerd
  • Imperatief

    • jij gesticuleer
    • jullie gesticuleert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van gesticuleren