Vervoeging van herinneren

Onbepaalde wijs (infinitief): herinneren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik herinner
    • jij herinnert
    • hij/zij/het herinnert
    • wij herinneren
    • jullie herinneren
    • zij herinneren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik herinnerde
    • jij herinnerde
    • hij/zij/het herinnerde
    • wij herinnerden
    • jullie herinnerden
    • zij herinnerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb herinnerd
    • jij hebt herinnerd
    • hij/zij/het heeft herinnerd
    • wij hebben herinnerd
    • jullie hebben herinnerd
    • zij hebben herinnerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had herinnerd
    • jij had herinnerd
    • hij/zij/het had herinnerd
    • wij hadden herinnerd
    • jullie hadden herinnerd
    • zij hadden herinnerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal herinneren
    • jij zult herinneren
    • hij/zij/het zal herinneren
    • wij zullen herinneren
    • jullie zullen herinneren
    • zij zullen herinneren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal herinnerd hebben
    • jij zult herinnerd hebben
    • hij/zij/het zal herinnerd hebben
    • wij zullen herinnerd hebben
    • jullie zullen herinnerd hebben
    • zij zullen herinnerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou herinneren
    • jij zou herinneren
    • hij/zij/het zou herinneren
    • wij zouden herinneren
    • jullie zouden herinneren
    • zij zouden herinneren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben herinnerd
    • jij zou hebben herinnerd
    • hij/zij/het zou hebben herinnerd
    • wij zouden hebben herinnerd
    • jullie zouden hebben herinnerd
    • zij zouden hebben herinnerd
  • Imperatief

    • jij herinner
    • jullie herinnert

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van herinneren