Vervoeging van hockeyen
Onvoltooid tegenwoordige tijd
- ik hockey
- jij hockeyt
- hij/zij/het hockeyt
- wij hockeyen
- jullie hockeyen
- zij hockeyen
Onvoltooid verleden tijd
- ik hockeyde
- jij hockeyde
- hij/zij/het hockeyde
- wij hockeyden
- jullie hockeyden
- zij hockeyden
Voltooid tegenwoordige tijd
- ik heb gehockeyd
- jij hebt gehockeyd
- hij/zij/het heeft gehockeyd
- wij hebben gehockeyd
- jullie hebben gehockeyd
- zij hebben gehockeyd
Voltooid verleden tijd
- ik had gehockeyd
- jij had gehockeyd
- hij/zij/het had gehockeyd
- wij hadden gehockeyd
- jullie hadden gehockeyd
- zij hadden gehockeyd
Toekomende tijd I
- ik zal hockeyen
- jij zult hockeyen
- hij/zij/het zal hockeyen
- wij zullen hockeyen
- jullie zullen hockeyen
- zij zullen hockeyen
Toekomende tijd II
- ik zal gehockeyd hebben
- jij zult gehockeyd hebben
- hij/zij/het zal gehockeyd hebben
- wij zullen gehockeyd hebben
- jullie zullen gehockeyd hebben
- zij zullen gehockeyd hebben
Conditionalis I
- ik zou hockeyen
- jij zou hockeyen
- hij/zij/het zou hockeyen
- wij zouden hockeyen
- jullie zouden hockeyen
- zij zouden hockeyen
Conditionalis II
- ik zou hebben gehockeyd
- jij zou hebben gehockeyd
- hij/zij/het zou hebben gehockeyd
- wij zouden hebben gehockeyd
- jullie zouden hebben gehockeyd
- zij zouden hebben gehockeyd
Imperatief
- jij hockey
- jullie hockeyt