Vervoeging van houden

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik houd
    • jij houdt
    • hij/zij/het houdt
    • wij houden
    • jullie houden
    • zij houden
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik hield
    • jij hield
    • hij/zij/het hield
    • wij hielden
    • jullie hielden
    • zij hielden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gehouden
    • jij hebt gehouden
    • hij/zij/het heeft gehouden
    • wij hebben gehouden
    • jullie hebben gehouden
    • zij hebben gehouden
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gehouden
    • jij had gehouden
    • hij/zij/het had gehouden
    • wij hadden gehouden
    • jullie hadden gehouden
    • zij hadden gehouden
  • Toekomende tijd I

    • ik zal houden
    • jij zult houden
    • hij/zij/het zal houden
    • wij zullen houden
    • jullie zullen houden
    • zij zullen houden
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gehouden hebben
    • jij zult gehouden hebben
    • hij/zij/het zal gehouden hebben
    • wij zullen gehouden hebben
    • jullie zullen gehouden hebben
    • zij zullen gehouden hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou houden
    • jij zou houden
    • hij/zij/het zou houden
    • wij zouden houden
    • jullie zouden houden
    • zij zouden houden
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gehouden
    • jij zou hebben gehouden
    • hij/zij/het zou hebben gehouden
    • wij zouden hebben gehouden
    • jullie zouden hebben gehouden
    • zij zouden hebben gehouden
  • Imperatief

    • jij houd
    • jullie houdt

Verwijzingen

Bekijk 9 definitie(s) van houden