Vervoeging van hybridiseren

Onbepaalde wijs (infinitief): hybridiseren

  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik hybridiseer
    • jij hybridiseert
    • hij/zij/het hybridiseert
    • wij hybridiseren
    • jullie hybridiseren
    • zij hybridiseren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik hybridiseerde
    • jij hybridiseerde
    • hij/zij/het hybridiseerde
    • wij hybridiseerden
    • jullie hybridiseerden
    • zij hybridiseerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb gehybridiseerd
    • jij hebt gehybridiseerd
    • hij/zij/het heeft gehybridiseerd
    • wij hebben gehybridiseerd
    • jullie hebben gehybridiseerd
    • zij hebben gehybridiseerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had gehybridiseerd
    • jij had gehybridiseerd
    • hij/zij/het had gehybridiseerd
    • wij hadden gehybridiseerd
    • jullie hadden gehybridiseerd
    • zij hadden gehybridiseerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal hybridiseren
    • jij zult hybridiseren
    • hij/zij/het zal hybridiseren
    • wij zullen hybridiseren
    • jullie zullen hybridiseren
    • zij zullen hybridiseren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal gehybridiseerd hebben
    • jij zult gehybridiseerd hebben
    • hij/zij/het zal gehybridiseerd hebben
    • wij zullen gehybridiseerd hebben
    • jullie zullen gehybridiseerd hebben
    • zij zullen gehybridiseerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou hybridiseren
    • jij zou hybridiseren
    • hij/zij/het zou hybridiseren
    • wij zouden hybridiseren
    • jullie zouden hybridiseren
    • zij zouden hybridiseren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben gehybridiseerd
    • jij zou hebben gehybridiseerd
    • hij/zij/het zou hebben gehybridiseerd
    • wij zouden hebben gehybridiseerd
    • jullie zouden hebben gehybridiseerd
    • zij zouden hebben gehybridiseerd
  • Imperatief

    • jij hybridiseer
    • jullie hybridiseert