Vervoeging van immobiliseren

Onbepaalde wijs (infinitief): immobiliseren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik immobiliseer
    • jij immobiliseert
    • hij/zij/het immobiliseert
    • wij immobiliseren
    • jullie immobiliseren
    • zij immobiliseren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik immobiliseerde
    • jij immobiliseerde
    • hij/zij/het immobiliseerde
    • wij immobiliseerden
    • jullie immobiliseerden
    • zij immobiliseerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geïmmobiliseerd
    • jij hebt geïmmobiliseerd
    • hij/zij/het heeft geïmmobiliseerd
    • wij hebben geïmmobiliseerd
    • jullie hebben geïmmobiliseerd
    • zij hebben geïmmobiliseerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geïmmobiliseerd
    • jij had geïmmobiliseerd
    • hij/zij/het had geïmmobiliseerd
    • wij hadden geïmmobiliseerd
    • jullie hadden geïmmobiliseerd
    • zij hadden geïmmobiliseerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal immobiliseren
    • jij zult immobiliseren
    • hij/zij/het zal immobiliseren
    • wij zullen immobiliseren
    • jullie zullen immobiliseren
    • zij zullen immobiliseren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geïmmobiliseerd hebben
    • jij zult geïmmobiliseerd hebben
    • hij/zij/het zal geïmmobiliseerd hebben
    • wij zullen geïmmobiliseerd hebben
    • jullie zullen geïmmobiliseerd hebben
    • zij zullen geïmmobiliseerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou immobiliseren
    • jij zou immobiliseren
    • hij/zij/het zou immobiliseren
    • wij zouden immobiliseren
    • jullie zouden immobiliseren
    • zij zouden immobiliseren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geïmmobiliseerd
    • jij zou hebben geïmmobiliseerd
    • hij/zij/het zou hebben geïmmobiliseerd
    • wij zouden hebben geïmmobiliseerd
    • jullie zouden hebben geïmmobiliseerd
    • zij zouden hebben geïmmobiliseerd
  • Imperatief

    • jij immobiliseer
    • jullie immobiliseert

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van immobiliseren