Vervoeging van inburgeren

Onbepaalde wijs (infinitief): inburgeren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik burger in
    • jij burgert in
    • hij/zij/het burgert in
    • wij burgeren in
    • jullie burgeren in
    • zij burgeren in
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik burgerde in
    • jij burgerde in
    • hij/zij/het burgerde in
    • wij burgerden in
    • jullie burgerden in
    • zij burgerden in
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ingeburgerd
    • jij hebt ingeburgerd
    • hij/zij/het heeft ingeburgerd
    • wij hebben ingeburgerd
    • jullie hebben ingeburgerd
    • zij hebben ingeburgerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ingeburgerd
    • jij had ingeburgerd
    • hij/zij/het had ingeburgerd
    • wij hadden ingeburgerd
    • jullie hadden ingeburgerd
    • zij hadden ingeburgerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal inburgeren
    • jij zult inburgeren
    • hij/zij/het zal inburgeren
    • wij zullen inburgeren
    • jullie zullen inburgeren
    • zij zullen inburgeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ingeburgerd hebben
    • jij zult ingeburgerd hebben
    • hij/zij/het zal ingeburgerd hebben
    • wij zullen ingeburgerd hebben
    • jullie zullen ingeburgerd hebben
    • zij zullen ingeburgerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou inburgeren
    • jij zou inburgeren
    • hij/zij/het zou inburgeren
    • wij zouden inburgeren
    • jullie zouden inburgeren
    • zij zouden inburgeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ingeburgerd
    • jij zou hebben ingeburgerd
    • hij/zij/het zou hebben ingeburgerd
    • wij zouden hebben ingeburgerd
    • jullie zouden hebben ingeburgerd
    • zij zouden hebben ingeburgerd
  • Imperatief

    • jij burger in
    • jullie burgert in

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van inburgeren