Vervoeging van informeren

Onbepaalde wijs (infinitief): informeren


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik informeer
    • jij informeert
    • hij/zij/het informeert
    • wij informeren
    • jullie informeren
    • zij informeren
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik informeerde
    • jij informeerde
    • hij/zij/het informeerde
    • wij informeerden
    • jullie informeerden
    • zij informeerden
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb geïnformeerd
    • jij hebt geïnformeerd
    • hij/zij/het heeft geïnformeerd
    • wij hebben geïnformeerd
    • jullie hebben geïnformeerd
    • zij hebben geïnformeerd
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had geïnformeerd
    • jij had geïnformeerd
    • hij/zij/het had geïnformeerd
    • wij hadden geïnformeerd
    • jullie hadden geïnformeerd
    • zij hadden geïnformeerd
  • Toekomende tijd I

    • ik zal informeren
    • jij zult informeren
    • hij/zij/het zal informeren
    • wij zullen informeren
    • jullie zullen informeren
    • zij zullen informeren
  • Toekomende tijd II

    • ik zal geïnformeerd hebben
    • jij zult geïnformeerd hebben
    • hij/zij/het zal geïnformeerd hebben
    • wij zullen geïnformeerd hebben
    • jullie zullen geïnformeerd hebben
    • zij zullen geïnformeerd hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou informeren
    • jij zou informeren
    • hij/zij/het zou informeren
    • wij zouden informeren
    • jullie zouden informeren
    • zij zouden informeren
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben geïnformeerd
    • jij zou hebben geïnformeerd
    • hij/zij/het zou hebben geïnformeerd
    • wij zouden hebben geïnformeerd
    • jullie zouden hebben geïnformeerd
    • zij zouden hebben geïnformeerd
  • Imperatief

    • jij informeer
    • jullie informeert

Verwijzingen

Bekijk 3 definitie(s) van informeren