Vervoeging van ingieten


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik giet in
    • jij giet in
    • hij/zij/het giet in
    • wij gieten in
    • jullie gieten in
    • zij gieten in
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik goot in
    • jij goot in
    • hij/zij/het goot in
    • wij goten in
    • jullie goten in
    • zij goten in
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb ingegoten
    • jij hebt ingegoten
    • hij/zij/het heeft ingegoten
    • wij hebben ingegoten
    • jullie hebben ingegoten
    • zij hebben ingegoten
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had ingegoten
    • jij had ingegoten
    • hij/zij/het had ingegoten
    • wij hadden ingegoten
    • jullie hadden ingegoten
    • zij hadden ingegoten
  • Toekomende tijd I

    • ik zal ingieten
    • jij zult ingieten
    • hij/zij/het zal ingieten
    • wij zullen ingieten
    • jullie zullen ingieten
    • zij zullen ingieten
  • Toekomende tijd II

    • ik zal ingegoten hebben
    • jij zult ingegoten hebben
    • hij/zij/het zal ingegoten hebben
    • wij zullen ingegoten hebben
    • jullie zullen ingegoten hebben
    • zij zullen ingegoten hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou ingieten
    • jij zou ingieten
    • hij/zij/het zou ingieten
    • wij zouden ingieten
    • jullie zouden ingieten
    • zij zouden ingieten
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben ingegoten
    • jij zou hebben ingegoten
    • hij/zij/het zou hebben ingegoten
    • wij zouden hebben ingegoten
    • jullie zouden hebben ingegoten
    • zij zouden hebben ingegoten
  • Imperatief

    • jij giet in
    • jullie giet in

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van ingieten